Uit de VI:
Wat vinden jullie hiervan?Dit zijn de vijf mensen die de opleidingen van PSV, Ajax, Feyenoord en AZ vertegenwoordigen aan tafel in Hotel-Restaurant Oud-London
in Zeist.
PSV: hoofd opleiding Aloys Wijnker (54), die een verleden heeft bij AZ, Vitesse en de nationale bonden van de Verenigde Staten en Nederland.
Ajax: Stef Wijlaars (37) is klankbord voor de jeugdtrainers en bewaakt de methodologie voor de bovenbouw. Joost van Dam (41) doet dat voor de onderbouw tot en met de Onder-13. Wijlaars werkte tot medio 2023 als hoofd opleiding van FC Den Bosch, Van Dam is al ruim vijftien jaar actief op De Toekomst.
Feyenoord: de Belgische hoofd opleiding Zeb Jacobs (30) heeft ondanks zijn leeftijd al een indrukwekkend cv met (leidinggevende) functies in de opleidingen van Rangers, Antwerp FC en KV Mechelen.
AZ: hoofd opleiding Paul Brandenburg (48) loopt al sinds zijn overstap van AFC ‘34 in 2009 rond bij de Alkmaarse club. In november 2015 trad hij aan in zijn huidige functie.
Waar Ronald Koeman achterin echt moet kiezen tussen spelers uit topcompetities, is hij de zoveelste bondscoach die zoekt naar een geschikte rechtsvoor. Koeman geeft ook openlijk toe dat Oranje niet ruim zit in de spitsen. Topscorer aller tijden Memphis Depay heeft nog niemand om zijn stokje aan door te geven. Zoals ook de natuurlijke opvolgers van Wesley Sneijder en Arjen Robben nog steeds niet zijn opgestaan. Daarom gooien we het grote vraagstuk bij de opleiders op tafel: waar blijven de creatieve topspelers?
Aloys Wijnker: ‘Cody Gakpo hebben we nog wel, maar inderdaad zijn er niet zoveel als topverdedigers. Daarvoor zijn vele oorzaken aan te wijzen. Allereerst wordt in onze hele samenleving minder buiten gespeeld. We zijn steeds meer aan het organiseren en regelen, waardoor we steeds minder kinderen zelf laten ontdekken.’
Paul Brandenburg: ‘Als ik alleen al kijk hoeveel verkeersborden ik onderweg naar deze afspraak tegenkom. Er staat nog net geen verkeersbord dat zegt: Let op, straks komt er een verkeersbord. Alles is georganiseerd en geregeld. Iedereen rijdt op zijn navigatie en kan zonder die hulp de weg niet meer vinden. Tot de spelers op het veld staan. Dan willen we ineens dat ze zelf creatief nadenken.’
Is dat de grote valkuil voor jeugdtrainers? Dat ze de rol van het navigatiesysteem pakken en alles voorkauwen voor spelers?
Wijnker: ‘Zeker, vooral in de onderbouw. Zelfs daar hebben we tegenwoordig een overdaad aan trainers. Die gaan ook nog dingen uitleggen, met videobeelden en de hele rataplan. Zijn kinderen dan nog kind? Kunnen ze nog ongezien dingen doen?’
Zeggen wij voor dat het van A naar B naar C moet? Of is het drie-tegen-drie op straat? Is het een Star Wars-schip of gewoon een doos LEGO?
— Zeb Jacobs
Zeb Jacobs: ‘Ik ging recent LEGO kopen voor mijn bonuskind. Dus ik koop een Star Wars-schip. Daar zit dan een boekje bij. Alles erop en eraan. Terwijl ik zelf van vroeger nog oude LEGO-boxen heb. Gewoon een doos met blokjes, waarmee je iets kan gaan bouwen. Die analogie kan je vertalen naar trainingen. Zeggen wij voor dat het van A naar B naar C moet? Of is het drie-tegen-drie op straat? Is het een Star Wars-schip of gewoon een doos LEGO? Dit is een maatschappelijke trend die je terugziet in het jeugdvoetbal. De Onder-10 wordt soms benaderd als een eerste elftal en dan zie je coaches langs de lijn die gaan roepen dat ze sneller moeten spelen, in plaats van het dribbelen te stimuleren.’
Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots
Kees Smit is pas in januari tiener af, maar geldt nu al als een van de dragende spelers van AZ.
Zo creëer je uiteindelijk spelers die niet kunnen dribbelen?
Brandenburg: ‘Wanneer start je in de opleiding met tactiek? En hoe coach je dat? Ik denk dat we daarin op andere manieren aan knoppen zijn gaan draaien. Niet alleen bij AZ, maar ook bij de andere opleidingen. Als ik kijk naar onze trainingslocaties, waarin de straat weer een plek heeft. Waar het een-tegen-een spelen weer een plek heeft. Dan denk ik dat we de knop weer een stukje terug hebben gedraaid, maar de focus heeft wel heel erg lang gelegen op het nastreven van een ideaalbeeld. Via trainers die alles proberen te controleren.’
Stef Wijlaars: ‘Ik denk dat het bij ons andere oorzaken heeft. Als je bij Ajax kijkt naar de afgelopen vijf jaar, dan is juist heel veel aandacht gegaan naar het individu en juist naar de dribbel in de een-tegen-een. Creativiteit is bij ons gewoon maximaal gestimuleerd. Als je naar een Ajax-speler kijkt, zie je dat de functionele techniek en creativiteit op een heel goed niveau is. Maar om de laatste stap naar het betaalde voetbal te zetten, gaat het ook om samenspel. Onze jongens zijn van topniveau als we drie-tegen-drie spelen, maar bij de vertaling naar de elf-tegen-elf krijgen ze het moeilijker. Dan gaat het niet meer alleen om dribbelen. Dan gaat het om de keuze maken tussen spelen of dribbelen. Of om het afstemmen van een diepteloopactie op een ploeggenoot met spelinzicht. Daar hebben we nog veel stappen te zetten. Dat hebben we de afgelopen twee seizoenen ook gedaan in ons opleidingsprogramma. We zijn bijvoorbeeld meer gaan trainen met afstanden die realistisch zijn voor de wedstrijd, in plaats van in kleinere ruimtes.’
Ajax beweegt juist de andere kant op?
Wijlaars: ‘We blijven creativiteit stimuleren, zeker in de onder- en middenbouw. Dat doen we ook in de bovenbouw. Al gaat het dan niet meer alleen om ik en de bal, maar om ik, mijn medespeler en de bal, in relatie tot de tegenstander. Dus meer in de wedstrijdcontext.’
Joost van Dam: ‘Tegelijkertijd willen we ook het straatvoetbalkarakter in een georganiseerde setting terug laten komen. Dat meester zijn over de bal. Zo technisch optimaal mogelijk opleiden, daar staan we voor. Zoveel mogelijk verschillende bewegingsvariaties ontwikkelen. Het stimuleren van creativiteit door het creëren van obstakels. Soms zelfs letterlijk door het spelen op straat. Zoals Johan Cruijff ook zegt: “Een betere les dan vallen op straat, is er niet”. Een speler leert zo snel dat hij op zijn voorvoetjes moet blijven staan en zich moet oriënteren. Zodat hij niet nog een keer valt. Met een Engelse term: experience first, label later.’
Experience first, label later?
Van Dam: ‘Spelers eerst dingen laten ondervinden, zonder expliciete coaching. Dan kan er altijd nog een later moment komen waarin je de feedback mondeling geeft. Binnen onze methodiek is dat een onderdeel: eerst laten ervaren. Om op die manier creativiteit te stimuleren.’
Brandenburg: ‘Bij ons is tactiek voor jeugdtrainers een verboden woord, tot de Onder-16. Het spel is van de spelers en wij zijn de begeleiders. Bij ons is het eerste half uur van de training bij de jongste jeugd bijvoorbeeld vrij spelen. De ene keer maken ze kleine partijtjes, de andere keer is het schieten op het doel en de volgende keer staan ze te slagballen met elkaar. Ik denk dat dat creativiteit stimuleert.’
Wijnker: ‘De vraag is ook: wat is creativiteit? Er wordt een-tegen-een gezegd, maar voor mij is dat niet echt creatief. Want je weet als het een-tegen-een is, dat je hem voorbij moet. Creatief is voor mij juist iets verrassends doen. In de context van in het spel dingen doen die mensen niet verwachten. Daarom was Frank de Boer voor mij een creatieve speler. Een linker centrale verdediger die ik weet niet hoe vaak helemaal naar het middenveld dribbelde of het spel verlegde met een pass. Als we steeds meer uit de context van het spel gaan trainen, dus geïsoleerd een-tegen-een, dan verliezen we dat soort creativiteit. Als ik tegenwoordig op social media kijk naar trainingen van voetbalscholen… Dan zie ik ze over hekjes springen en individuele spelers met de bal…’
Jacobs: ‘Daarom waarborgen we nu bij ons dat alle aantallen worden getraind: van drie-tegen-drie tot elf-tegen-elf. Ook kijken we naar het speelveld: hoelang en hoe breed is dat? We moeten zorgen dat alle facetten aan bod komen. Op een klein veldje willen spelers wel omschakelen, maar kunnen ze dat ook opbrengen als ze dertig of vijftig meter terug moeten sprinten?’
Van Dam: ‘Uiteindelijk gaat het toch weer om het totale programma. Een individuele speler moet de vaardigheden ontwikkelen om een man te kunnen passeren. Die motorische vaardigheden ontwikkelen we in de onderbouw. Dan gaat het op latere leeftijd om het herkennen van het juiste moment om het uit te voeren. De uitdaging van jeugdtrainers is het ontwikkelen van oefenvormen die uitnodigen tot bepaalde voetbalgedragingen. Dus bijvoorbeeld ruimtes aan te vallen met een dribbel, zonder dat de trainer dat hoeft te zeggen.’
Jacobs: ‘Ik heb in Schotland gewerkt en daar worden tot de Onder-16 geen competitiestanden bijgehouden. In Nederland maken we ons bij de Onder-13 druk om degradatie. Allebei klopt dat niet. De oplossing ligt tussen die twee extremen in. Een ander element rond creativiteit dat mij opvalt, is dat iedereen zoekt naar betrouwbare spelers. Ze moeten terugsprinten, ze moeten aansluiten, ze moeten zich bewust zijn van hun omgeving, ze moeten de bal eruit halen, ze moeten duels kunnen spelen. Al die elementen uit het eerste elftal zijn naar beneden getrokken, waardoor het hele jeugdvoetballandschap daar nu mee bezig is. Dat zijn allemaal puzzelstukjes die ervoor zorgen dat we bepaalde type spelers aan het ontwikkelen zijn. Dat zijn die betrouwbare, robuuste spelers die in het voetbal van vandaag gewoon verwacht worden. Maar hierbij moet creativiteit wél behouden worden.’
Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots
De zeventienjarige Noah Fernandez maakte grote indruk in het bekerduel van PSV met GVVV.
Wijnker: ‘Toen ik nog bij de KNVB werkte, waren al die bondscoaches op zoek naar aanvallers. Zou het niet kunnen dat we nog steeds met een geboortemaand-effect te maken hebben in ons landschap en dat we in de onderbouw te veel selecteren op fysiek, met spelers die vroegrijp zijn?’
Jacobs: ‘Die fysiek sterkere jongens maken het verschil in de eerste vijf, zes jaar dat ze in de opleiding zitten. Uiteindelijk komen ze in de Onder-17 en Onder-19 terecht. Daar worden de fysieke verschillen kleiner en dan blijken ze niet de technische vaardigheden of de spelintelligentie te hebben om het verschil te kunnen maken. Dan stromen ze uit. Of worden ze rechtsback. Dat is ook weer een puzzelstukje.’
Wijnker: ‘Toevallig hebben we vorige week een toernooi georganiseerd voor de Onder-9. Eerst hebben we de spelers die in de eerste zes maanden van het jaar geboren zijn tegen elkaar laten voetballen. Een dag later kwamen de spelers uit de laatste helft van het jaar. Als ze dan tegen jongetjes van hun eigen fysieke niveau spelen, vallen ineens anderen op. Omdat ze niet meer hoeven op te boksen tegen de grootste spelers.’
Brandenburg: ‘Ditzelfde doen wij twee keer in de week bij onze teams in de opleiding. Training op basis van biologische leeftijd en rekening houdend met het geboortemaand-effect. Dit om spelers uit te dagen, geen talent te missen en meer succeservaringen te genereren. Het geboortemaand-effect is al decennia een bekend fenomeen. Dat clubs vooral spelers selecteren uit de eerste maanden van het jaar. Waarom is dat nog steeds niet opgelost?
Wijnker: ‘Ik vind dat een diskwalificatie aan ons als opleiders. Je ziet bijvoorbeeld dat het geboortemaand-effect minder extreem is bij clubs waar stabiliteit is.’
Brandenburg: ‘Het ligt niet alleen bij de profs. Als ik een presentatie geef bij een amateurvereniging en ik hoor dat die al in de Onder-8 willen presteren... Dan gaan ze daar al selecteren en met de bovenste elftallen vaker trainen. Het vierde jeugdteam van de lichting traint ondertussen anderhalve keer per week, met een goedwillende vader. Dan ontstaan daar al grote verschillen. Daarom stromen jeugdspelers die in de tweede helft van het jaar zijn geboren, ook vaker uit. Ik vind dat de KNVB op dit gebied wel een keer iets kan organiseren. Bijvoorbeeld dat ieder jaar de peildatum met drie verspringt. Dan is elke speler eens in de vier jaar de oudste en eens in de vier jaar de jongste. Een andere maatregel is dat je bij de Onder-13 tot en met 16 niet twee, maar één team laat degraderen. Zodat niet 25 procent van de teams ieder half jaar uit de competitie valt en bij elk elftal meteen stress is na twee nederlagen.’
Wijnker: ‘Je kan alleen niet zeggen dat je dit wél doet op landelijk niveau, maar niet met de amateurs. Voor de Onder-8 van Schagen betekent dit bijvoorbeeld elk jaar nieuwe teams en vriendjes die uit elkaar worden gehaald. Tegelijkertijd is het juist daar nodig, omdat bij de Onder-12 van de beste amateurclubs negentig procent van de selectie uit het eerste half jaar komt.’
Brandenburg: ‘Bij de amateurs wordt op heel jonge leeftijd geselecteerd en gediscrimineerd. Als bepaalde jongens al op hun achtste meer of beter getraind worden dan leeftijdgenoten, ga je gewoon talent missen.’
Hoe lossen we op dat niet meer alles voor de talenten wordt voorgekookt?
Brandenburg: ‘We trainen continu op verschillende ondergronden, met verschillende ballen en geven andere soorten informatie. Zo pas je steeds de puzzel aan. Dan denkt een speler het laatste stukje in handen te hebben en dan valt de puzzel weer uit elkaar. Dat creëert dat spelers zelf gaan nadenken over het spel.’
Wijlaars: ‘Het zweet moet op de juiste rug staan. Het is niet de trainer die hard moet werken voor alle jongens. Het zijn de jongens die hard moeten werken voor hun eigen ontwikkeling. Het enige wat wij doen, is vragen stellen en kaders meegeven. Het is de speler zelf die het initiatief moet nemen en dingen moet voorbereiden. Bij welke trainer kan ik terecht? Waar ga ik me op richten? Wanneer ga ik dat doen? Hoe ga ik dat doen? Dat soort zaken leggen we veel bij de spelers.’
Van Dam: ‘Binnen trainingen en wedstrijdjes bijvoorbeeld door spelers met elkaar te laten overleggen over wie waar gaat staan. Het draait om kinderen die zelf verantwoordelijkheid gaan nemen. We moeten persoonlijkheden creëren.’
Jacobs: ‘Herkenbaar, maar wij steken hem ook wel een stuk anders in. Ik voel dat grenzen aan het vervagen zijn bij onze tieners. Dat gedrag van school komt mee naar onze topsportomgeving. Daarom gaan we back to the basics. Onze grenzen aangeven van wat wel en wat niet kan, om het maximale uit hun ontwikkeling te halen. Om weg te blijven van het pamperen en het door de vingers zien. Helder maken wat de verwachtingen zijn en dat allemaal volgen. Of het nu in het topsportrestaurant is, in de gym, op de medische tafel, hoe we naar het veld wandelen of op een bus stappen. Topsport is topsport en daar hoort bepaald gedrag bij. Dat is een belangrijk iets waar we mee bezig zijn. ‘
Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots
Shaqueel van Persie, net negentien jaar, pakt al wat minuten mee bij Feyenoord 1.
Over grenzen gesproken: hoe ver kan je gaan? AZ kwam in het nieuws, omdat met jeugdspelers kippen werden geslacht.
Brandenburg: ‘Dat ging te ver. Het moet uiteindelijk wel een relatie hebben met voetbal. Het is niet zo moeilijk om iemand in een situatie te brengen waarin hij wordt getest. Het gaat erom dat je dingen goed begeleidt en dat weet te relateren aan gedrag in de voetbalrealiteit. We hebben naar aanleiding van dit incident de kaders nog een keer helder gemaakt voor iedereen.’
Kan dat wat bij AZ is voorgevallen, ook bij andere clubs gebeuren? Als je bijvoorbeeld kijkt naar sommige scènes uit Daar Hoorden Ze Engelen Zingen.
Wijlaars: ‘Dan praat je over een andere tijd. Als je het hebt over de pedagogische begeleiding die er momenteel binnen onze opleiding aanwezig is, de kennis die er tegenwoordig aanwezig is over hoe kinderen zich ontwikkelen, de programma’s die er zijn, dan is dat gewoon echt wel van een hoog niveau. Dat kan je niet meer vergelijken met twintig jaar terug. We weten ook allemaal dat we jongens moeten uitdagen, dat we grenzen moeten opzoeken, dat we soms misschien wel een klein beetje over de grens heen moeten gaan. Soms wil je spelers juist even in de shit werken. Maar daarna moet het snel weer terug en dan komt het wel op de begeleiding aan.’
Hoe werkt dat concreet, spelers in de shit werken?
Wijlaars: ‘Een heel simpel voorbeeld dat vele opleiders zullen kennen, is bewust vals fluiten als scheidsrechter. Hoe reageert een speler daarop? Daarna kan je in gesprek met de jongen, van: Wat gebeurde daar met je?, en: Hoe heb je erop gereageerd?’
De Twin Games zijn een innovatie die in het Nederlandse jeugdvoetbal is doorgevoerd. Is dat een positieve of negatieve ontwikkeling geweest?
Van Dam: ‘Ik vind dat positief. Spelers hebben op jonge leeftijd meer balcontacten en moeten sneller handelen doordat de ruimtes kleiner zijn. Het straatvoetbalkarakter is ook positief. Bij veel wedstrijden is er geen scheidsrechter, dus dan kunnen ze lekker spelen. Ik denk dat het interessant is om na te denken of dit qua aantallen en ruimtes nog de meest logische opbouw is.’
Brandenburg: ‘Ik ben ook positief, vanwege het zelforganiserende vermogen dat gevraagd wordt en het aantal balcontacten. Minder positief vind ik dat bij te grote niveauverschillen bijna op een vierkante meter gespeeld wordt, voor een van de doelen.’
Wijnker: ‘Doordat ouders zich langs de lijn weer te veel bemoeien, klinkt nu weer de roep om bij de Twin Games met een scheidsrechter te spelen. Op straat was er ook geen scheidsrechter. Laat de speler met de grootste bek het gewoon regelen en dat moet je dan ook maar accepteren. Als het ruzie wordt, hoort dat er ook maar even bij. Idealiter laat je spelers dat gewoon zelf oplossen.’
Van Dam: ‘Nog een voordeel: spelers worden sneller uitgedaagd om op verschillende posities te spelen. Dus ze komen automatisch in verschillende omstandigheden om vaardigheden uit te voeren. Dus niet alleen maar linksback, maar ook spits.’
Ik zou een voorstander zijn van meer Jong-teams in de piramide. Dus ook in de Tweede Divisie. Hup, minimaal naar vier
— Aloys Wijnker
Het leuke van dit initiatief is dat het destijds vanuit de clubs zelf, met Ajax als initiatiefnemer, is opgestart. De KNVB heeft het later geadopteerd. Wat zijn andere veranderingen die jullie als clubs zouden kunnen doorvoeren?
Wijnker: ‘Ik zou een voorstander zijn van meer Jong-teams in de piramide. Dus ook in de Tweede Divisie. Hup, minimaal naar vier. Zodat je ook kan promoveren en degraderen vanuit de Keuken Kampioen Divisie. Dan heb je direct aansluiting. Om nu iets te begrijpen van de degradatie van Jong-teams uit de Tweede Divisie, moet je bijna een wiskundige zijn. Maar ja, als de amateurs zeggen dat er geen Jong-teams meer bij moeten komen, houdt het op. Misschien moeten we die ook eens bij elkaar zetten.’
Wat moet de voetballer van 2025 kunnen, wat in 2015 of 2005 niet noodzakelijk was?
Wijlaars: ‘Je moet veel completer zijn dan in het verleden. Als je ziet wat tegenwoordig van een rechtsback verwacht wordt. Het is niet meer het breed houden en de buitenspeler overlappen. Je moet ook als middenvelder uit de voeten kunnen en in een kleine ruimte kunnen spelen. Rechtsbuiten is niet alleen nog een actie maken en een vroege voorzet vanaf de achterlijn afleveren. Je moet ook tot je eigen achterlijn kunnen meeverdedigen en je moet tussen de linies kunnen spelen. Tien jaar geleden was vaak één wapen genoeg voor een speler. Nu moet je veel completer zijn.’
Jacobs: ‘De verwachtingen zijn gigantisch gegroeid. Vroeger had je vier fases: aanvallen, verdedigen en de twee omschakelmomenten daartussen. Nu verwachten we dat een speler tijdens het aanvallen al rekening houdt met balverlies en omgekeerd. Ook het aantal sprints per wedstrijd is voor voetballers flink gestegen. Daarnaast: bij Real Sociedad of Espanyol debuteren voetballers op hun 22ste. Bij ons ligt de debuutleeftijd veel lager, dus moeten ze sneller klaar zijn voor De Kuip.’
Brandenburg: ‘Dus we hebben veel minder tijd. Daarom zou het zomaar kunnen dat we over tien jaar een internaat op ons complex hebben. We hebben nu drie contacturen per dag, dus op het moment dat de leeftijd van debutanten nog lager komt te liggen, zullen we spelers nog sneller beter moeten maken.’
Wijnker: ‘Is het zo dat de debuutleeftijd steeds lager wordt? Door vijf wissels kan je natuurlijk makkelijker spelers even laten meedoen, maar volgens mij is de gemiddelde leeftijd in de Eredivisie ongeveer hetzelfde gebleven.’
Jacobs: ‘Wat in ieder geval een feit is: de clubs uit de vijf grootste competities kopen jonger. Dus als je het hebt over waardecreatie, dan betekent dat wat voor ons.’
Wijnker: ‘Wij kopen ook steeds meer. Kijk naar het gemiddeld aantal minuten voor Nederlandse spelers in de Eredivisie, dat neemt ook af.’
Hoe ga je het als Nederlandse clubs organiseren dat de eigen kweek kansen krijgt, ook in tijden dat het sportief en financieel goed gaat?
Wijnker: ‘Daar ben ik benieuwd naar bij AZ. Die hebben steeds meer geld. De portemonnee is vol. Stel: ze verliezen daar nog een paar keer en dalen naar plek acht. Dat is wél een lakmoesproef. Wat doen ze?’
Brandenburg: ‘Dat is beleid. Het eerste wat wij doen als een speler weggaat, is kijken wat we hebben in de opleiding. Hebben we de opvolger direct lopen? Of over twee jaar?’
AZ is aan de andere kant geen speeltuin. Algemeen directeur Merijn Zeeman heeft de ambitie uitgesproken om prijzen te winnen.
Brandenburg: ‘Daar waren we afgelopen jaar een hand van verwijderd. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit uiteindelijk gaat lukken. We halen nu al negen jaar op rij Europees voetbal. Bij andere clubs wordt dat als een volksfeest gevierd. Bij AZ is dat normaal geworden. Dat zijn goede ontwikkelingen. We zijn dichter bij de traditionele topdrie gekropen. Duidelijk is dat wij intern niets liever willen dan de volgende stap maken, maar niet ten koste van alles.’
Bij Ajax past lef en een onderdeel daarvan is ook de durf om eigen jongens op te stellen. Dat is wat wij zijn als club
— Stef Wijlaars
Wijlaars: ‘Het gaat gewoon om kansen geven. Bij onze topclubs is genoeg talent. Nu doen Rayane Bounida en Sean Steur soms mee met het eerste. Het is niet zo dat zij vier, vijf maanden geleden die potentie nog niet hadden. Voor een club is het belangrijk dat de belangen van de jeugdopleiding geborgd zijn in de directie. Wij hebben dat met Marijn Beuker (directeur voetbal, red.). Zo kunnen we waarborgen dat er altijd een aantal plekken voor jeugdspelers is binnen de eerste selectie, wie er ook hoofdtrainer wordt. Bij Ajax past lef en een onderdeel daarvan is ook de durf om eigen jongens op te stellen. Dat is wat wij zijn als club.’
Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots
Sean Steur is slechts zeventien lentes jong, maar was een van de uitblinkers aan Ajax-zijde in de meest recente Klassieker.
Dat is niet altijd zo geweest in de afgelopen jaren. Ajax heeft ook zomers gehad waarin ineens twaalf nieuwe spelers werden gekocht.
Wijlaars: ‘Dat krijg je met wijziging van beleid en wijzigingen van beleidsbepalers. Daarom ben ik blij dat de opleiding nu in ieder geval geborgd is bij de directie.’
Jacobs: ‘We hebben bij Feyenoord een technisch-managementteam dat het beleid heel erg bewaakt. Dat groeit uit tot een sportieve strategie die heel erg zit op hoe wij spelers willen ontwikkelen en hoe we willen voetballen.’
Waar staat het Nederlandse voetbal over tien jaar?
Wijnker: ‘We moeten goed oppassen voor onze concurrentiepositie. We zijn een rijk land met goede opleidingen en hebben mogelijkheden om alles te doen, maar we moeten wél innovatief blijven. We moeten door. Anders worden we ingehaald. We willen blijven wedijveren met Frankrijk, Italië, Spanje, Duitsland en Engeland. Dan moeten we continu stappen blijven zetten. Anders missen we de boot.’
Wijlaars: ‘Anderzijds ben ik ook wel positief, als ik kijk naar de ontwikkelingen in de afgelopen vijf jaar. Er is zo veel veranderd in hoe het was en hoe het nu is. Volgens mij hebben we allemaal interessante mensen binnen de clubs aan het hoofd staan. Dus die doorontwikkeling is echt wel gaande.’
Wijnker: ‘Ik zie het ook niet somber in, maar ik zeg wel dat we een vinger aan de pols moeten houden.’
Brandenburg: ‘Eens. We zijn en blijven een beetje conservatief in de voetballerij. Daar moeten we voor oppassen. We hebben recent in de Youth League tegen Aston Villa gespeeld. Tien jaar geleden had je jezelf afgevraagd: Wat is Aston Villa? Maar die hebben nu een partij power op het veld staan. Die zijn aan het investeren in de opleiding. Daarom moeten we scherp blijven. Gaat het slecht? Zeker niet. Maar het is geen 10.’
Ik denk wel dat het goed zou zijn voor het voetbal in Nederland als er een tweede KNVB kwam
— Paul Brandenburg
Wat is het wel?
Brandenburg: ‘Nederland als opleidingsland scoort wat mij betreft een 7 of een 8.’
Jacobs: ‘Ik denk dat het Nederlandse voetbal aan de buitenkant vaak wordt gezien als innovatief, maar binnen de clubs zien we het soms ook wel als conservatief. Zo nu en dan zijn we vastgeroest in ideeën waarvan wij denken dat ze heilig zijn. Toch zie ik het rooskleurig in. Mijn referentiekader is België en Schotland, waar ik ook heb gewerkt. Dan denk ik dat de kwaliteit van de mensen in het jeugdvoetbal in Nederland hoog genoeg is.’
Brandenburg: ‘Ik denk wel dat het goed zou zijn voor het voetbal in Nederland als er een tweede KNVB kwam.’
Een tweede KNVB?
Brandenburg: ‘Dan ga je concurreren met elkaar en ga je het beste programma aanbieden. Als je een cursus bij twee verschillende bedrijven kan doen, dwing je tot ontwikkeling. Dat zou niet alleen goed zijn voor de trainerscursussen, maar bijvoorbeeld ook voor de competitieopzet.’
Wijnker: ‘Een beetje concurrentie kan op zich geen kwaad. Al vind ik het een voordeel dat de KNVB er niet zit voor geldelijk gewin, zoals in Amerika het geval is. Ik moet hier nog wat dieper over nadenken. Misschien iets om een volgende keer samen te bespreken.’
Knuppel in het hoenderhok, ik vind dit apart:
In Spanje hebben ze zeker geen verkeersborden?Paul Brandenburg: ‘Als ik alleen al kijk hoeveel verkeersborden ik onderweg naar deze afspraak tegenkom. Er staat nog net geen verkeersbord dat zegt: Let op, straks komt er een verkeersbord. Alles is georganiseerd en geregeld. Iedereen rijdt op zijn navigatie en kan zonder die hulp de weg niet meer vinden. Tot de spelers op het veld staan. Dan willen we ineens dat ze zelf creatief nadenken.’
Ik moet zeggen dat ik nog nooit gehoord had van de namen Wijlaars en van Dam. Voor de rest is het allemaal het bekende verhaal. Ze willen allemaal meer creativiteit, meer aanvallers opleiden. En de straatcultuur moet weer terugkomen in de opleiding en dat soort blabla.